Koninginnenteelt: compleet teeltschema van overlarven tot jonge koningin

Een goede koninginnenteelt begint met een goede voorbereiding en vooral met een duidelijke planning. Vanaf het moment van overlarven volgt de ontwikkeling van de jonge koningin een vrij nauwkeurig tijdschema.

In deze planning gebruiken we dag 0 als het moment van overlarven. Vanaf dat moment kun je de ontwikkeling van de koninginnen stap voor stap volgen.

De genoemde dagen zijn richtlijnen. Omdat het om een natuurlijk biologisch proces gaat, kunnen de ontwikkeling en het moment van uitkomst enigszins variëren. Daarom gebruiken we op verschillende momenten “rond dag”.


De koninginnenteelt in één overzicht

DagFaseWat gebeurt er?
Rond dag -8 tot -1VoorbereidingTeelt- en pleegvolk voorbereiden
Dag 0OverlarvenLarven overbrengen naar de Nicot-omlarfdopjes
Rond dag 1–4OpkweekDe aangenomen larven ontwikkelen zich in het pleegvolk
Rond dag 5Gesloten doppenDe gesloten koninginnendoppen gaan naar de broedmachine
Rond dag 5–9BroedmachineVerdere ontwikkeling van de koninginnen
Rond dag 10InkooienDe koninginnendoppen worden voorzien van uitloopkooitjes
Rond dag 11–13UitkomstDe jonge koninginnen komen uit
Rond dag 11–13Na uitkomstMerken en tijdelijk verzorgen
Rond dag 13–15BevruchtingsvolkDe jonge koningin wordt naar een bevruchtingsvolk gebracht
Rond dag 20–30Na de bruidsvluchtControleren of de koningin bevrucht is en aan de leg komt
Rond dag 30EindcontroleJonge koningin beoordelen en eventueel invoeren in een productievolk

Voorbereiding – rond dag -8 tot -1

Een succesvolle koninginnenteelt begint al voordat er wordt overgelarfd.

Het teeltvolk en het pleegvolk worden voorbereid, zodat de jonge larven na het overlarven onder goede omstandigheden kunnen worden verzorgd.

Ook is dit het moment om al het benodigde materiaal klaar te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de Nicot-omlarfdopjes, teeltmateriaal, broedlade, uitloopkooitjes en de materialen die later nodig zijn voor het merken en het plaatsen van de jonge koninginnen in een bevruchtingsvolk.

Een goede voorbereiding voorkomt dat er tijdens de teelt onnodig moet worden gezocht of geïmproviseerd.


Dag 0 – Overlarven

Dag 0 is het startpunt van de koninginnenteelt.

Op deze dag worden jonge larven overgebracht naar de Nicot-omlarfdopjes. De dopjes worden vervolgens in het voorbereide pleegvolk geplaatst.

De bijen in het pleegvolk verzorgen de aangenomen larven en bouwen de koninginnencellen verder uit.

Vanaf dit moment begint de dagtelling.


Rond dag 1–4 – Opkweek in het pleegvolk

De larven worden door de bijen in het pleegvolk verzorgd en ontwikkelen zich verder tot koninginnencellen.

In deze fase is rust belangrijk. Controleer alleen wat nodig is en voorkom onnodige verstoring van het pleegvolk.

Rond dag 5 zijn de koninginnendoppen gesloten. Daarmee breekt het moment aan waarop de broedmachine kan worden ingezet.


Rond dag 5 – Gesloten koninginnendoppen naar de broedmachine

Wanneer de koninginnendoppen gesloten zijn, worden ze voorzichtig uit het pleegvolk gehaald en naar een voorverwarmde broedmachine overgebracht.

De broedmachine neemt vanaf dit moment een deel van de omstandigheden over die normaal gesproken door het bijenvolk worden verzorgd.

De broedmachine moet vooraf stabiel zijn

Stel de broedmachine vooraf in en laat deze op temperatuur komen. Controleer voordat de koninginnendoppen worden geplaatst of temperatuur en luchtvochtigheid stabiel zijn.

Als richtwaarde voor de koninginnenteelt wordt ongeveer 34,5–35 °C en een relatieve luchtvochtigheid van circa 70% aangehouden.

De precieze instelling kan afhankelijk zijn van de gebruikte broedmachine en werkwijze.

Daarna zo weinig mogelijk openen

Plaats de gesloten koninginnendoppen voorzichtig in de broedlade en sluit de broedmachine daarna weer.

Vanaf dit moment is stabiliteit belangrijker dan voortdurend controleren.


Rond dag 5–9 – Ontwikkeling in de broedmachine

De koninginnen ontwikkelen zich verder in hun gesloten doppen.

Controleer regelmatig:

  • de temperatuur;
  • de luchtvochtigheid;
  • de watervoorziening;
  • de goede werking van de broedmachine.

Bij een broedmachine met automatische bevochtiging wordt de luchtvochtigheid automatisch geregeld. Bij een uitvoering met handmatige bevochtiging wordt deze met de waterbakken en luchtrozetten ingesteld.

Open de machine zo weinig mogelijk. Iedere opening heeft invloed op de temperatuur en luchtvochtigheid.

Meer weten over deze fase?
In onze uitgebreide [handleiding voor koninginnenteelt met een broedmachine] leggen we stap voor stap uit hoe je de machine voorbereidt, de gesloten doppen plaatst en de omstandigheden tijdens deze belangrijke fase controleert.


Rond dag 10 – Inkooien

De koninginnen komen steeds dichter bij het moment van uitkomst.

Rond dag 10 worden de koninginnendoppen voorzien van uitloopkooitjes.

Iedere jonge koningin krijgt daarmee haar eigen ruimte zodra zij uit haar dop komt. Zo kunnen meerdere koninginnen gecontroleerd in dezelfde broedmachine uitkomen zonder dat ze elkaar kunnen bereiken.

Bereid op dit moment ook alvast het materiaal voor dat na de uitkomst nodig is.


Rond dag 11–13 – Uitkomst

Vanaf ongeveer dag 11 kunnen de eerste koninginnen uitkomen. De meeste uitkomsten worden rond dag 12 verwacht, maar een verschil van een dag is normaal.

Controleer vanaf deze periode regelmatig de uitloopkooitjes.

Een koningin die is uitgelopen, kan voorzichtig worden gecontroleerd en vervolgens worden gemerkt en tijdelijk verzorgd.


Rond dag 11–13 – Merken en tijdelijk verzorgen

Na de uitkomst kan de jonge koningin worden gemerkt.

Werk hierbij rustig en voorzichtig. Een pas uitgekomen koningin is kwetsbaar en moet zo weinig mogelijk worden gestoord.

Na het merken wordt de koningin tijdelijk verzorgd totdat zij naar een bevruchtingsvolk kan worden gebracht.

Bereid de benodigde materialen daarom al vóór de eerste uitkomst voor.


Rond dag 13–15 – Naar een bevruchtingsvolk

De jonge koninginnen worden vervolgens naar een bevruchtingsvolk gebracht.

Daar krijgt de koningin de gelegenheid om zich verder te ontwikkelen en haar bruidsvlucht(en) te maken.

Het exacte moment waarop een koningin haar bruidsvlucht maakt, is afhankelijk van verschillende omstandigheden, waaronder het weer, de temperatuur, de wind en de aanwezigheid van voldoende darren.

Daarom is ook hier de dagtelling slechts een richtlijn.


Rond dag 20–30 – Na de bruidsvlucht

Na de bruidsvlucht moet worden gecontroleerd of de koningin succesvol is bevrucht en aan de leg komt.

Controleer het bevruchtingsvolk op:

  • aanwezigheid van eitjes;
  • jonge larven;
  • gesloten werksterbroed;
  • een regelmatig broedpatroon.

Een goed en regelmatig broedpatroon is een belangrijke aanwijzing dat de koningin goed functioneert.

Geef een jonge koningin voldoende tijd voordat je conclusies trekt. Niet iedere koningin volgt exact dezelfde planning.


Rond dag 30 – Controle en eventueel invoeren

Rond dag 30 kan de jonge koningin opnieuw worden beoordeeld.

Wanneer zij goed aan de leg is en een goed broedpatroon laat zien, kan worden besloten om haar eventueel in een productievolk in te voeren.

De jonge koningin hoeft dus niet automatisch op dag 30 te worden ingevoerd. De ontwikkeling van de koningin en de kwaliteit van het broed zijn bepalend.



Een goede planning maakt koninginnenteelt overzichtelijker

Koninginnenteelt vraagt om nauwkeurigheid, maar het hoeft geen ingewikkeld proces te zijn. Door dag 0 als vast startpunt te gebruiken en de belangrijkste momenten vooruit te plannen, weet je steeds wat er moet gebeuren en wanneer.

De broedmachine is daarbij vooral een hulpmiddel om de ontwikkeling vanaf de gesloten koninginnendop gecontroleerd voort te zetten.

Rust, een stabiele omgeving en een goede voorbereiding zijn daarbij minstens zo belangrijk als de apparatuur zelf.


Voor de uitgebreide handleiding

Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief en mis geen enkel nieuwtje of aanbieding!

Written by 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *